tekst papiamentu poëzie
Emigratie

Indringer of bondgenoot?

Soms twijfel ik wel eens of ik er goed aan doe om naar Curaçao te emigreren. Niet omdat ik mijn familie ga missen, mijn vertrouwde omgeving ga verlaten of omdat ik gek ben op de Nederlandse cultuur…
Nee, ik twijfel omdat ik bang ben dat ik mij er een indringer zal voelen.

Etnografisch onderzoek

Tijdens mijn stage in 2018 op Curaçao bezocht ik verschillende stranden. Ik weet nog dat ik behoorlijk verbaasd was dat je op zoveel stranden moest betalen om toegang te krijgen.
En bij het strand van Marie Pampoen stond een enorme muur in de zee, die voor een groot deel was afgebroken. Het wekte vooral mijn nieuwsgierigheid: wat was het verhaal van deze muur?

Zodoende onderzocht ik de vraag “Wat is de mening van de verschillende groepen mensen op Curaçao betreft het (illegaal) toe-eigenen van stukken eiland ten behoeve van de toeristische sector?” voor mijn etnografisch onderzoek, als onderdeel van m’n studie.
En ik kan je vertellen: ik vond het razend interessant.

Niet alleen verdiepte ik mij in de cultuur en de normen en waarden, maar het onderwerp bleek veel breder te liggen dan alleen dat.

Het ging over hoe toerisme de belangrijkste inkomstenbron van het eiland werd. Over protesten rondom luxe resorts zoals Van der Valk Baoase. Over het dempen van kustlijnen en de impact daarvan op natuur en leefomgeving. Over buitenlandse investeerders, de complexe relatie tussen Curaçao en Nederland, en organisaties die liever geen inhoudelijke reactie geven – het Curaçao Tourist Board wilde destijds bijvoorbeeld niet meewerken aan mijn onderzoek.

Maar ook over Oostpunt, over vervallen panden in de binnenstad van Willemstad, over belastingregels die soms moeilijk te begrijpen zijn. Over vissers die hun beroep niet meer kunnen uitoefenen. Over de infrastructuur die de groei nauwelijks aankan. Over stijgende huizenprijzen en een lokale bevolking die niet altijd profiteert van de werkgelegenheid die toerisme zou moeten brengen.

En dan hebben we het nog niet eens over het onderwijs, dat al jaren achterloopt.
Of het slavernijverleden dat nog altijd doorwerkt in de samenleving.

Kortom: waar ging het eigenlijk níét over?

Trinta di mei

Dus toen ik in 2024 terugkwam naar Curaçao voor een vakantie en een oriënterend rondje viel het mij al op hoeveel er was veranderd. Nou ja, voornamelijk hoeveel er was bijgebouwd.
De kust bij Mambo Beach stond opeens vol met torenhoge appartementen. De glazen gebouwen die bij de Sint-Annabaai over de oceaan kijken – iewl, waar is de authentieke uitstraling van Willemstad gebleven? De woontorens van Zakitó…

Anno 2026 blijft het een groot discussiepunt. Sterker nog, de discussies op LinkedIn en Facebook laaien alleen maar op. Ik vraag mij serieus af wanneer het moment komt dat de bevolking van Curaçao in opstand komt tegen het bewind, zoals ook gebeurde bij trinta di mei.


Trinta di mei

De olieraffinaderij van Shell was de grootste inkomstenbron van Curaçao. Het zorgde voor veel werkgelegenheid: in 1952 werkten er bijna 11 000 arbeiders. Echter groeide de kloof tussen arm en rijk en was er geen vangnet voor de mensen die werkloos werden. De invloed van de koloniale tijd was nog steeds aanwezig: de blanken waren de baas en hadden het geld, de kleurlingen en de zwarten kregen slecht betaald en zwaar werk. De werknemers kregen geen bescherming tegen de schadelijke stoffen en de lonen werden steeds lager en lager. Moderne slavernij dus.
Omdat de vraag naar aardolieproducten afnam na 1948, besloot Shell om de raffinaderij te herorganiseren. In 1969 waren er slechts 3 000 arbeiders over. De werkloosheid bleef maar stijgen, evenals de inflatie.

De directe aanleiding voor de volksopstand was de aflopende CAO bij Wescar op 6 mei. Shell werkte immers met diverse aannemersbedrijven, en Werkspoor Caribbean, oftewel Wescar, was daar één van. De Curaçaosche Federatie van Werknemers (CFW) vertegenwoordigde deze werknemers.
De CAO-onderhandelingen tussen Wescar en CFW liepen op niets uit. Wescar begon individuele arbeidscontracten af te sluiten met werknemers en uiteraard was CFW het daar niet mee eens. Op 6 mei is men overgegaan in staking.

Op 7 mei hervatte de CAO-onderhandelingen, met als slogan “equal work, equal pay“, aangezien de werknemers hetzelfde loon eisten als de Shell-arbeiders. Wescar wilde de lonen in twee fasen met 40% optrekken, maar dat werd door het CFW verworpen en dus volgde op 26 mei weer een staking. Wescar dreigde ondertussen zijn werknemers te ontslaan, met als gevolg dat er ook in andere sectoren een staking werd uitgeroepen. “Wij kunnen eindelijk het verschil maken, we zijn niet bang te vechten voor onze rechten”.

Op 29 mei 1969 liepen er ruim 4000 mensen van Post V naar Fort Amsterdam in de wijk Punda onder de leiding van de volksheld Papa Godett. De leuze was “pan i rekonosementu”, oftewel “brood en erkenning”. De blanken hadden betere sociale voorzieningen en woonden in afgesloten villawijken, waar zwarten alleen naar binnen mochten als ze werden opgehaald door een blanke bewoner. Bovendien was Papiamentu een verboden taal.

De politie durfde niet in te grijpen en schoot twee demonstranten dood, waarbij ook Papa Godett werd getroffen. De demonstranten werden razend en staken gebouwen in brand. Ze begonnen te plunderen. Dit was de woede van arm tegen rijk. In Willemstad kan men dan ook tegenwoordig duidelijk het verschil zien in de bouwstijlen tussen de wijken Otrobanda en Punda.


Geparafraseerd uit “Toerisme VS. Bevolking”, p. 24-25, Hoogendoorn (2018).

Klein Nederland

En juist daarom stel ik mezelf steeds vaker de vraag: doe ik er wel goed aan om daar als Nederlander naartoe te verhuizen? De lokale bevolking heeft al zoveel te dragen: massatoerisme, stijgende huizenprijzen, buitenlandse investeerders die stukken eiland opkopen. Waarom zou ik daar als “buitenlander” nog een laag bovenop leggen?

En dan hebben we het niet eens over de Nederlanders die van Curaçao een “Klein Nederland” willen maken: wonen achter metershoge muren – ver weg van de lokale bevolking; het opdringen van de Nederlandse normen en waarden en weigeren om Papiamentu te spreken.

Tegelijkertijd besef ik mij ook dat ik daar iets kom brengen in plaats van halen. Ik wil het onderwijs in, werken met kinderen – daar ligt mijn hart.
Toen ik in 2019 weer voet zette in een Nederlands klaslokaal kon ik het moeilijk verkroppen dat Curaçao en Nederland onderdeel zijn van hetzelfde Koninkrijk, maar het verschil tussen (onderwijs)middelen kon niet groter zijn als dag en nacht.
Waar in Nederland miljarden euro’s wordt uitgegeven aan onderwijsvernieuwing, mogen ze op Curaçao al blij zijn als ze het eindelijk voor elkaar krijgen dat de klaslokalen worden voorzien van een broodnodige airco en de kinderen les krijgen uit geactualiseerd lesmateriaal. Lesmateriaal dat aansluit op de context van het eiland – niet met rekenvoorbeelden met euro’s, of situaties met sneeuw en ijs uit actuele contexten van duizenden kilometers verderop.

Luisterend en lerend

Dus ja, ik stel mijzelf die vraag regelmatig: hoor ik daar wel thuis?

Ik ben mij er terdege van bewust dat ik als Nederlander een geschiedenis met mij meedraag. Een geschiedenis waar ik persoonlijk geen deel aan heb gehad, maar die wél voelbaar is in de structuren van vandaag. In de economische verhoudingen, in de machtsposities, in de manier waarop toerisme en buitenlandse investeringen soms meer ruimte krijgen dan de stem van de lokale bevolking.

Dat besef maakt dat ik voorzichtig wil zijn. Luisterend. Lerend. Niet als iemand die denkt het beter te weten, maar als iemand die zich wil verdiepen in de cultuur, de taal en de geschiedenis van het eiland.

Ik wil geen stukje eiland toe-eigenen. Geen muur bouwen tussen mij en de lokale gemeenschap. Geen “Klein Nederland” creëren op een plek die net herstellende is van het koloniale verleden.

Wat ik wél wil, is werken met kinderen. Luisteren naar wat zij nodig hebben. Ruimte creëren voor creativiteit, spel en ontwikkeling.

Misschien via het onderwijs.
Misschien via de Knutseljungle.
Misschien via naschoolse programma’s waarin STEAM, creativiteit en spel samenkomen.

En misschien is dat uiteindelijk de vraag die voor mij het verschil maakt: niet “heb ik het recht om hier te zijn?” maar “ben ik bereid om hier echt onderdeel van te worden?”

Door te luisteren. Door te leren. Door respect te hebben voor wat er al is.
En als ik dat kan… dan voelt het misschien toch niet als indringen… maar als thuiskomen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *